uitrekenen
` uit – re – ke – nen, (rekende uit, h. uitgerekend), berekenen; zie ook uitgerekend
` uit – re – ke – nen, (rekende uit, h. uitgerekend), berekenen; zie ook uitgerekend
afleveren, afgeven, geven, overhandigen, ter hand stellen
Verwijdering door regen van radioactieve deeltjes in de atmosfeer die ontstaan zijn bij een kernexplosie
uitrusten
begrip dat aangeeft de toestand van een organisme dat door bijzondere lichamelijke of psychische krachtsinspanning uit het homoiostatische evenwicht is geraakt en waarbij het lichaam met cortinen wordt overstroomd
uit` put – tend, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, grondig, diepgaand, zo volledig mogelijk: iets uitputtend behandelen ; een uitputtende lijst van onregelmatige werkwoorden
een zoekmethode waarbij volgens een of andere brute-krachtmethode alle mogelijke oplossingen worden geprobeerd totdat een acceptabele oplossing is gevonden
afmatten, aftobben, radbraken, slopen, vermoeien, exploiteren, uitbuiten
uitkienen, uitpluizen, uitvogelen, uitzoeken
uitplussen, uitvogelen, uitzoeken, ontleden, schiften