Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

uitscheiden

afbreken, opgeven, stoppen, eindigen, ophouden

uitschakelen

afzetten, uitdraaien, uitzetten, elimineren, onschadelijk maken

uitrusting voor het meren

Inrichtingen en uitrusting benodigd bij meren en ontmeren, te onderscheiden in vast aangebrachte contructies en werktuigen, vnl. op bak en achterdek (poop),en losse inventarisartikelen

uitrusting voor de brandmelding

Toestel dienend om een begin van brand op een snelle manier te signaleren naar de brug of een ander controlestation en een alarm in werking te stellen.

uitrusting

Al het nodige, al dan niet wettelijk voorgeschreven, waarvan een schip moet zijn voorzien om op verantwoorde en veilige wijze te kunnen voldoen aan zijn functie als vervoermiddel over zee, en dat niet direct tot de romp behoort

uitrusten

rusten, verpozen, uitbollen, bewapenen, equiperen, toerusten, uitreden, voorzien, begiftigen, inrichten

uitrukken

ontwortelen, uitscheuren, uithalen, uittrekken

uitroken

Beroking, het blootstellen aan rook of damp door gebruik te maken van chemische stoffen om insecten of schadelijke dieren te doden