vatten
` vat – ten, (vatte, h. gevat),
` vat – ten, (vatte, h. gevat),
Iemand die de ijkstreep op vaten aanbrengt.
ketting gebruikt voor het verwijderen van wijnsteen
de benaming voor de ambtswoning van de paus en tevens gebruikelijke aanduiding voor Vaticaanstad
(voorheen) rechtdradig, fijnringig eikehout, waaruit duigen gekloofd kunnen worden
Mate waarin de ziekteverwekker kan binnendringen en zich in de plant kan vermeerderen.
alle voor de ziekte vatbare dieren die niet zijn ingeënt of waarvan de immuniteit ontoereikend wordt geacht door de bevoegde autoriteit
` vat – baar, bijvoeglijk naamwoord,
het -woord, vaten,
constructie voor het vastklemmen van een bewegend deel, om het in een bepaalde positie vast te houden of om beschadigingen te vermijden