veroordelen
ver` oor – de – len, (veroordeelde, h. veroordeeld),
ver` oor – de – len, (veroordeelde, h. veroordeeld),
ver – ont` waar – di – ging, de -woord (vrouwelijk), toorn, gekrenktheid, ergernis: diepe verontwaardiging ; heilige verontwaardiging
ver – ont` waar – digd, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, vertoornd, gekrenkt
ver – ont` schul – di – ging, de -woord (vrouwelijk), verontschuldigingen, het verontschuldigen;, verontschuldigingen aanbieden, maken, erkennen dat men verkeerd heeft gehandeld;, ter verontschuldiging, om zich te verontschuldigen
Met gevoel van schuld
ver – ont` schul – di – gen, (verontschuldigde, h. verontschuldigd), vrijspreken van schuld; goedpraten;, zich verontschuldigen, vragen niet kwalijk te nemen;, zich (laten) verontschuldigen, bericht van verhindering (tot bijwoning van een vergadering e.d.) geven
bezorgdheid, gealarmeerdheid, beroering, ongerustheid, onrust, ontsteltenis, storing
ver – ont` rus – ten, (verontrustte, h. verontrust), onrust baren, ongerust maken: verontrustende berichten
zeevervuiling veroorzaakt door lozingen vanaf het land of aangevoerd door waterlopen
kiem: micro-organisme dat o.a.door de lucht verspreid kan worden, zoals schimmelsporen, bacteriën en gisten