aankomend
` aan – ko – mend, bijvoeglijk naamwoord,
` aan – ko – mend, bijvoeglijk naamwoord,
` aan – ko – men, (kwam aan, is aangekomen),
` aan – kno – pings – punt, het -woord, aanknopingspunten, feit, gebeurtenis enz. als beginpunt voor iets nieuws: een goed aanknopingspunt voor een gesprek
beginneling, beginner, debutant, groentje, leerling, melkmuil, nieuweling, nieuwkomer, novice, snotneus
beginnen
toestelletje bovende kettingdraden voor het aandraaien van tijdens het weven gebroken kettingdraden
aanhangen, verdedigen
machine welke een nieuwe weefketting aan het restant van een oude ketting vast maakt
` aan – kle – den, (kleedde aan, h. aangekleed), kleren aandoen; figuurlijk meubileren en stofferen; toneel decors en kostuums ontwerpen
aanhouden, enteren