afdruk
` af – druk, de -woord (mannelijk), afdrukken,
` af – druk, de -woord (mannelijk), afdrukken,
` af – dro – gen, (droogde af, h. afgedroogd),
leegdrinken, opdrinken, uitdrinken
zuiveren
Zonder voortstuwing, anker of afmering overgelaten aan weer, wind en stroom
hij die dwingt tot afgifte van enig goed door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim
bedreigen, chanteren
verslijten, afgeven
laatste gewas(`vrucht`)in een reeks bij de vruchtopvolging op een gemengd bedrijf, zijnde de opeenvolging van gewassen van jaar tot jaar op een bepaald akkerbouwperceel(`slag`)
Systeem voor het zelf regelen van belastingaanslag door de belastingschuldige.