afhandelen
` af – han – de – len, (handelde af, h. afgehandeld), tot een einde brengen
` af – han – de – len, (handelde af, h. afgehandeld), tot een einde brengen
de douaneregeling krachtens welke de ingevoerde goederen definitief binnen het douanegebied kunnen blijven.Deze regeling houdt in dat de eventueel opeisbare rechten en heffingen bij invoer dienen te worden betaald en alle noodzakelijke douaneformaliteiten dienen te worden vervuld
ontvangen, ophalen, afnemen, schoonmaken, schillen
Snijden met een enkel snijmes, waarvan het facet de te scheiden delen loodrecht op de snijrichting van elkaar drukt, b.v.bij folie
Dienst tot het afhalen en bestellen van goederen met vrachtauto`s tegen vergoeding.
` af – ha – ken, (haakte af, h. afgehaakt),
wangunstig, jaloers, naijverig
` af – gunst, de -woord (vrouwelijk), nijd, jaloersheid: afgunst koesteren
afschrik, afschuw, gruwel
afvreten, afweiden, kaalvreten, bestuderen