afslag
` af – slag, de -woord (mannelijk), afslagen,
` af – slag, de -woord (mannelijk), afslagen,
plaats vanwaar wordt afgeslagen.
` af – slaan, (sloeg af,
afgrijselijk, afstotelijk, afzichtelijk, horribel, monsterlijk, afstotend, akelig, ellendig, gruwelijk, ijselijk, ijzingwekkend, verschrikkelijk, vreselijk, walgelijk
Het onder invloed van wateroverlast naar beneden schuiven van een massa aarde en stenen, met verwoestende uitwerking
afgrijzen, horreur, verfoeiing, afkeer, gruwel, huivering, schrik, weerzin
betalen, opdokken
Conisch verlopend deel van een wormfrees, bij tangentiale aanzet
afkanten
Vlak of zone waarin bij de spaanafname de belangrijkste deformatie plaats vindt