afval
` af – val, I, de -woord (mannelijk), afvalligheid, ontrouw, toegepast vooral m.b.t. een geloof;, II, de -woord (mannelijk) & het -woord, het afgevallene; wat zo goed als waardeloos of onbruikbaar is
` af – val, I, de -woord (mannelijk), afvalligheid, ontrouw, toegepast vooral m.b.t. een geloof;, II, de -woord (mannelijk) & het -woord, het afgevallene; wat zo goed als waardeloos of onbruikbaar is
tijd benodigd voor de aftuigwerkzaamheden
handelingen na beëindiging van een machinerun om de apparatuur in gereedheid te brengen voor de volgende run, bijv. het ontladen van magneetbandeenheden, verwijderen van papier, enz
aftronen, bietsen, ontfutselen
aftroggelen, bietsen, ontfutselen
terechtwijzen, verslaan, afranselen
tijd die nodig is voor één aftrekbewerking, waarin niet begrepen de tijd voor het ophalen en vastleggen van operands en verschil
extract, uittreksel, essence, tinctuur, kooksel
` af – trek – post, de -woord (mannelijk), aftrekposten, bedrag dat bij de berekening van de verschuldigde belasting op het belastbaar inkomen in mindering gebracht mag worden
Kosten die iemand maakt om aan zijn inkomen te komen, bijvoorbeeld: . De reiskosten woon-werkverkeer. . Persoonlijke verplichtingen, bijvoorbeeld hypotheekrente. . Buitengewone lasten, bijvoorbeeld hoge ziektekosten, studiekosten, kinderopvang.