afzeggen
` af – zeg – gen, (zei(de), zegde af, h. afgezegd),
` af – zeg – gen, (zei(de), zegde af, h. afgezegd),
afnemen, achteruitgaan, verminderen, afgaan, afglijden, afkomen
afstrooien met zand
vorm van vingermassage met rondgaande bewegingen
schoonwrijven, wegwrijven
` af – wis – se – ling, de -woord (vrouwelijk), afwisselingen, het afwisselen; verandering; verscheidenheid; ter afwisseling, voor de afwisseling eens in eigen land op vakantie gaan
afvegen
De kinderen wonen dan bij voorbeeld een halve week bij hun vader en de andere dagen bij hun moeder.
af` wis – se – lend, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, gevarieerd
` af – wis – se – len, (wisselde af, h. afgewisseld), (beurtelings) vervangen: elkaar, iem. afwisselen