armzalig
achenebbisj, luizig, armetierig, armoedig, beroerd, deerniswekkend, ellendig, erbarmelijk, kaal, miserabel, pover, schraal, sjofel, treurig, miezerig, nietig
achenebbisj, luizig, armetierig, armoedig, beroerd, deerniswekkend, ellendig, erbarmelijk, kaal, miserabel, pover, schraal, sjofel, treurig, miezerig, nietig
(1)Het regelen van de toestand der armen; (2)Kerkelijk, burgerlijk armbestuur: lichaam belast met de zorg voor de armen
ar` moe – dig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, van armoede blijk gevend, tegengestelde van rijk of royaal
Landen die geen gemiddeld jaarinkomen van 240 dollar per hoofd v.d. bevolking halen en niet over olie beschikken.
Toets om vast te stellen of een land beneden of boven de armoede-grens ligt(gemeten volgens de normen BNP per capita en de gemiddelde levensverwachting).
groeiende kloof tussen arm en rijk
behoeftigheid, dalles, geldnood, kaalheid, krot, merode, nood, armoede, behoefte, gebrek, miserie, ontbering
bepaald minimuminkomen
benepen, kleinzielig
armoedig, armzalig, verpieterd