bekostigen
be` kos – ti – gen, (bekostigde, h. bekostigd), betalen
be` kos – ti – gen, (bekostigde, h. bekostigd), betalen
aanlokkelijkheid, schoonheid, verleidelijkheid, aantrekkelijkheid, bekoorlijkheid, liefelijkheid, verrukking, verzoeking
be` ko – ren, (bekoorde, h. bekoord),
bekoring, bevalligheid, charme, liefelijkheid, liefheid
kommer, kwelling, leed, tegenspoed, bekommering, angst, belangstelling, bezorgdheid, zorg
alleraardigst, bekorend, ravissant, snoeperig, snoepig, aantrekkelijk, allerliefst, betoverend, bevallig, charmant, heerlijk, innemend, lief, liefelijk, lieflijk, lieftallig, prettig, verleidelijk, verrukkelijk
angst, bezorgdheid, ongerustheid, verontrusting, zorg
Zich zorgen maken over, ergens voor zorgen.
bezorgd, ongerust, verontrust
bedisselen, smeden, uitbroeden, verzinnen