benevolentie
welwillendheid
welwillendheid
be` ne – vens, voorzetsel, met, samen met
verandering van het bewustzijn, waarbij het niveau verlaagd is en de helderheid der waarnemingen heeft geleden
halfdronken, aangeschoten, dronken, mistig, vaag
omnevelen, vervagen, verbijsteren, verdoezelen, verduisteren, vervagen
bekrompenheid
armhartig, huisbakken, ingevallen, kleinburgerlijk, bekrompen, kleingeestig, kleinzielig, pietluttig, klein, angstig, benauwd, duf
beroven van, ontroven, ontnemen, toesperren
geestelijke waardigheid met daaraan verbonden inkomsten
Benaming voor de economische en culturele aaneensluiting van België, Nederland en Luxemburg(2)