beugel
` beu – gel, de -woord (mannelijk), beugels,
` beu – gel, de -woord (mannelijk), beugels,
bijvoeglijk naamwoord, moede, zat: iets beu zijn of beu van iets zijn
recht van een geregistreerde in een aan wettelijke bepalingen onderworpen registratiesysteem om daarin over hemzelf vastgelegde feiten te betwisten
contestatie, geschilpunt, conflict, onenigheid
nog niet vastgestelde grens, waarvan het verloop tussen de percelen nog betwist wordt en waarover de beide partijen het nog niet eens konden worden
be` twis – ten, (betwistte, h. betwist),
aanvechtbaar, discutabel, betwist, kwestieus, omstreden
Iemand die het beter denkt te weten, wijsneus
iemand die het beter denkt te weten, wijsneus
Nederlands plan voor een(gedeeltelijk)nieuwe spoorlijn voor goederenvervoer(Rotterdam)-Dordrecht-Giessenburg-Gorinchem-Meteren-(niet Geldermalsen)-Doodewaard-Valburg-Bemmel-Zevenaar-(Duitsland).Ook na aanneming door Tweede Kamer en Eerste Kamer(samenstelling van voor de verkiezingen van mei 1994)begin 1994 blijft het plan omstreden