blikskater
bliksem, bliksems
bliksem, bliksems
bliksemschicht, deugniet
` blik – sems, I, tussenwerpsel, krachtterm, uitroep bij schrik e.d.;, II, bijvoeglijk naamwoord, duivels, ondeugend: bliksemse kwajongen ;, III, bijwoord, in hoge mate: het is bliksems koud
bliksemstraal
bliksemschicht, bliksemstraal
weerlichten, flikkeren, fonkelen, lichten
` blik – sem, de -woord (mannelijk), bliksems,
richting waarin de blik gaat
Een uitdrukking die werd gebruikt om een nieuwe onbekende Rus te beschrijven, die vanuit het niets om de medailles meereed.
de lijn tussen een voorwerp buiten het oog en de fovea centralis die de gezichtsas snijdt in het knooppunt