bollen
` bol – len, (bolde, h. gebold),
` bol – len, (bolde, h. gebold),
(NL) het kweken van bol-,wortel-en knolgewassen met het doel deze droog en volgroeid te verhandelen
broodventer
broodventster
bol – le` boos, («Jiddisch, Hebr), de -woord (mannelijk), bollebozen, knapperd, uitblinker
één van de twee schelpen van Tweekleppigen (oesters, mosselen e.d.)
baas, klepper, knapperd, kokkerd
Venster van twee naast elkaar geplaatste ramen van gelijke grootte, gevat in 1 kozijn.
alle delen (met uitzondering van de zaden) van de papaver, na het maaien, waaruit narcotica kunnen worden gewonnen
soort uit de orde der tandarmen van de klasse der zoogdieren