boosdoener
` boos – doe – ner, de -woord (mannelijk), boosdoeners, iem. die iets slechts gedaan heeft
` boos – doe – ner, de -woord (mannelijk), boosdoeners, iem. die iets slechts gedaan heeft
chronische infectieziekte bij paarden en ezels, veroorzaakt door trypanosoma equiperdum, gekenmerkt door genitaalontsteking, lymphklierzwelling en paralyse der achterpoten, overgebracht door coitus
bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
duivelachtig, boos, duivels, hatelijk, kwaadwillig, malicieus, moedwillig, nijdig, slecht, vals, venijnig, gevaarlijk, kwaadaardig
constructie met lier, voor het hanteren van boorbuizen in boorinstallaties
Gereedschap bestaand uit een spiraalboorgedeelte met aansluitend tapgedeelte
Bewegend deel van de machine voor de axiale en roterende beweging van de boor
onzuivere, verpoederde diamant, gebruikt als slijpmiddel
Zogenaamde laagbeproevingen (drillstem tests) zijn uitgevoerd op prospectieve lagen van reservoirgesteenten. Zij geven een inzicht in de snelheid van toestroming van de inhoud van de por iën in die laag (gas, olie of water),van de druk in de poriën en drukverval en-opbouw tijdens en na de toestroming. Bovendien worden monsters van de poriëninhoud verkregen
dienen bij metaalbewerking met name om gereedschap en werkstuk af te koelen; bestaan uit zware oliën, waaraan b.v. 10 tot 15 % emulgeermiddelen zijn toegevoegd welke voor het gebruik in water geemulgeerd worden