borg
de -woord (mannelijk), borgen,
de -woord (mannelijk), borgen,
` bo – ren, (boorde, h. geboord), draaiende een gat maken;, in de grond boren, tot zinken brengen door beschieting of torpedering
arctisch, noordelijk
textiel
stoeprand, trottoirband, trottoirsteen
naald om bij het borduren het weefsel te doorboren
staaldraad of lijn tussen visbord en breidels van een trawl
karton
kor of trawl opengehouden door visborden
de plaats waar men zich bevindt op hoogwerkers, schaarliften, bep. typen heftrucks e. d