volstoppen
volstouwen, opvullen, volproppen, vullen
volstouwen, opvullen, volproppen, vullen
standvastig
vol` sla – gen, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, geheel, volkomen: volslagen onzin
getand pincet
getand pincet
volstouwen, opvullen, volstoppen, vullen
` vol – op, bijwoord,
persoon die vrijwillig een taak vervult…,gewoonlijk tevens zonder loon te ontvangen, inz. met bedoeling om zich in het vak te bekwamen
wolvervilter, lakenbereider
vol` mon – dig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, ronduit; grif: iets volmondig toegeven ;, volmondig instemmen met, zonder enige reserve