doffel
een mannetjesduif
een mannetjesduif
duwen, stoten
glansloos, mat, fleps, flets, vaal, gedempt, gesluierd, gesmoord, beslagen, loom, mat, suf, uitgedoofd, slag, stoot
‘ doffe’ ,kringvormige zone vanaf een infectieuze kern, die uit de lysis van geinfecteerde cellen (door een virus) resulteert of uit bacteriën, welke op gevoeligheid voor een substantie of een geneesmiddel wijzen
slaperig, vaag
halfzachte, lulletje rozewater, softie, sukkel, zacht ei, slappeling, watje
doezelaar, dommel, halfslaap
` doe – ri – an, («Maleis), de -woord (mannelijk), doerians, eetbare vrucht van de Zuidoost-Aziatische boom Durio zibethinus , gekenmerkt door een penetrante geur
poedelhond
kwajongen, rekel, deugniet, gemeen persoon, smeerlap