Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

doordringen

intrekken, doortrekken, vervullen, overtuigen, infiltreren, verdiepen in, doorgraven, doorprikken, doorsteken, perforeren, spietsen, doorboren, penetreren

doordragende kleine bosaardbei

benaming voor teeltaardbeirassen welke het gehele groeiseizoen door bloemen vormen en waarvan van half juli tot november geoogst kan worden

doordrager

benaming voor teeltaardbeirassen welke het gehele groeiseizoen door bloemen vormen en waarvan van half juli tot november geoogst kan worden

doordragend

gezegd van rozen welke na hun hoofdbloei, welke in de voorzomer valt, doorbloeien; vruchten dragend na het normale seizoen

doordraaien

op een groente-en fruitveiling partijen onverkocht laten passeren, waarna deze vernietigd worden; (de uitdrukking is ontleend aan de beweging van de veilingklokwijzer welke, indien bij het afmijnen er zich geen koper meldt, tot nul doordraait)

doordoen

doorschrappen, doorstrepen

doorbuigen(het)

Het langsscheepse vervormen van een schip waarbij het middenschip ‘zakt’ ten opzichte van de uiteinden(en het tegengestelde van opbuigen).

doorbuiging

Het langsscheepse vervormen van een schip waarbij het middenschip ‘zakt’ ten opzichte van de uiteinden(en het tegengestelde van opbuigen).