vooraf
` voor – af ,, voor` af, bijwoord, van tevoren
` voor – af ,, voor` af, bijwoord, van tevoren
Afbeelding van iets, zoals van voren gezien.
emittent:bankier die aandelen enz.Aan de markt brengt
voor` aan – staand, bijvoeglijk naamwoord, op de voorgrond tredend, voornaamst: vooraanstaande personen
Voorziening op een drukpers, waartegen de voorkant van de vellen tot stilstand komt.
` voor – aan ,, voor` aan, bijwoord,
Toediening van een chemisch bestrijdingsmiddel na het zaaien, vóór de opkomst van het gewas
zich uitstrekkend van voor naar achteren
educatie ten behoeve van jonge en zeer jonge kinderen (peuterspeelzalen, voorschool, kinderopvang, etc.)
per definitie de randgebieden van woestijnen