dreutelaar
treuzelaar
treuzelaar
aarzelen, draaien, dralen, talmen, teuten, treuzelen
` dreu – tel, de -woord (mannelijk), dreutels, kleuter
de -woord (mannelijk), dreunen,
` dreu – nen, (dreunde, h. gedreund), trillen, gepaard gaande met een dof geluid: als jij loopt, dreunt het hele huis
broekenman, dreumes, dreutel, hummel, peuter, pruts, uk, ukkepuk, ventje
` dreu – mes, de -woord (mannelijk), dreumesen, klein kind
het bijbrengen van gewoonten aan dieren of mensen op een straffe mechanische wijze
Met een diamant een schijf, eventueel opnieuw, op maat en op scherpte brengen
Met een diamant een schijf, eventueel opnieuw, op maat en op scherpte brengen