droefgeestig
droef` gees – tig, bijwoord, droef gestemd, zwaarmoedig;, droef` gees – tig – heid, de -woord (vrouwelijk)
droef` gees – tig, bijwoord, droef gestemd, zwaarmoedig;, droef` gees – tig – heid, de -woord (vrouwelijk)
` droef – heid, de -woord (vrouwelijk), het droef zijn; treurige omstandigheid
droefheid, somberte, treurnis
apparaat dat een ander apparaat bestuurt
somber, treurig, triest
bank die men kan bezoeken zonder dat men zijn auto hoeft te verlaten ;Loket dat men per auto kan bereiken.
` drink – wa – ter, het -woord, water om te drinken, drinkbaar water
Tank geschikt voor het opslaan van drinkwater voor langere tijd.
bedieningsgeld, tip, fooi, zakgeld
` drin – ken, (dronk, h. gedronken), algemeen, door de mond tot zich nemen; (vaak zonder lijdend voorwerp ) alcoholhoudende drank gebruiken: er werd stevig gedronken ;, hij drinkt, hij is aan de drank;, drinken op iem. of iets, een glas ledigen met een gelukwens