duivelskers
heggenrank
heggenrank
furie, harpij, feeks, helleveeg
` dui – vel, de -woord (mannelijk), duivels, duivelen, boze hellegeest, gevallen engel, satan;, des duivels prentenboek, het kaartspel;, als men over de duivel spreekt, trapt men hem op zijn staart, gezegd als een persoon over wie gesproken wordt, juist binnenkomt;, de duivel in hebben, uit z`n humeur zijn;, des duivels zijn, erg boos zijn;, … Lees verder
boosaardig
bliksems, deksels, donders, drommels, duivels, verduiveld, vervloekt, weergaas
Fumaria, aardrook
duivel
het hoekige, opgesierde monnikenschirft dat in de latere ME in gebruik kwam..
onafhankelijke, wetenschappelijke instelling gericht op politiek, economie en geschiedenis van Duitsland vanuit Nederlands perspectief
I, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, van, uit, betreffende Duitsland;, II, het -woord, de Duitse taal