fluit
(«Oud-Frans, Provençaals), de -woord, fluiten, 1, blaasinstrument; het geluid daarvan;, geen fluit, geen snars, niks;, dat is (Zuid-Nederlands : dat gaat gelijk) een fluitje van een cent, dat is een makkelijk karweitje;, Zuid-Nederlands :, de kleine fluit, piccolo;, Zuid-Nederlands :, met het fluitje gewonnen, met het trommeltje verteerd, zo gewonnen, zo geronnen;, 2, brood van … Lees verder