Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

fluit

(«Oud-Frans, Provençaals), de -woord, fluiten, 1, blaasinstrument; het geluid daarvan;, geen fluit, geen snars, niks;, dat is (Zuid-Nederlands : dat gaat gelijk) een fluitje van een cent, dat is een makkelijk karweitje;, Zuid-Nederlands :, de kleine fluit, piccolo;, Zuid-Nederlands :, met het fluitje gewonnen, met het trommeltje verteerd, zo gewonnen, zo geronnen;, 2, brood van … Lees verder

fluisterasfalt

Asfaltbeton dat minder geluidsoverlast geeft.

fluisteren

` fluis – te – ren, (fluisterde, h. gefluisterd),

fluim

spuug, speeksel, sputum, spuug

fluiditeit

reciproke waarde van de viscositeit

fluentiesnelheid

toe-of afname van de fluentie per tijdseenheid;specifieke verandering in de fluentie

fluctuerend geluid

geluid waarvan het niveau voortdurend en in belangrijke mate varieert gedurende de waarnemingstijd

flue cured tabak

tabak, zoals verkregen door fermenteren gedurende drie dagen in verhitte schuren

fluctueren

dobberen, weifelen, schommelen

fluctuatiemarge

afstand tussen de interventiepunten, die een centrale bank in acht neemt bij het bewaken van de buitenlandse waarde van de haar toevertrouwde geldsoort; t.a.v. bilaterale middenkoersen van de andere deelnemende valuta`s. De koersschommelingen worden binnen nauwe marges gehouden