Helleen
Griek
Griek
booswicht, schavuit
Oudgrieks
draak, harpij, heks, xantippe, duivelin, feeks, furie, serpent, tang
` hel – len, (helde, h. geheld), schuin oplopen; neigen;, een hellend vlak, figuurlijk een toestand waarin men gemakkelijk van kwaad tot erger vervalt
` hel – ling, de -woord (vrouwelijk), hellingen, het hellen; glooiing; hellende vloer op scheepstimmerwerf, waarop schepen gebouwd of hersteld worden;, op de helling nemen, op de helling zetten, nazien, opknappen, aan een herziening onderwerpen, ook figuurlijk
schuin oplopend pad, onderbroken door horizontale vlakken (bordes),om rolstoelen, kinderwagens, e.d.toegang te verschaffen tot een hoger gelegen punt
a) de hoek, uitgedrukt in milliradialen, tussen het horizontale vlak en de richtin van de lichtbundel naar een karakterisitekpunt…; b) door de tangens van die hoek, uitgedrukt in procenten, aangezien de hoeken klein zijn..
dokdagen = zitdagen in scheepsdok
beproeving die na het gereedkomen…van een schip wordt uitgevoerd om de werkelijke plaats van zwaartepunt en metacentrum…bij een gegeven beladingstoestand vast te stellen