Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

hakhout

bedrijfsvorm, waarbij men de bomen voor zij hun volle hoogteontwikkeling hebben bereikt, laag bij de grond afzet om de zich uit de stronk ontwikkelde opslag periodiek te oogsten

hakkelen

stotteren, brabbelen, haperen, knoeien, stamelen

hakken

` hak – ken, (hakte, h. gehakt), met de bijl of de 3 hak bewerken; figuurlijk :, hakken op, afgeven op, vitten op, hatelijk zijn tegen;, dat hakt erin, dat is een grote uitgave; zie ook bij, pan en spaander

hakkenei

damespaard, telganger

hakvruchtenteelt

hakvruchten: gewassen welke aanvankelijk zeer gevoelig voor onkruid en verdichting van de bovengrond zijn en waarvoor dan geregeld schoffelen en hakken vereist is, o.a.aardappelen, bieten, koolraap, uien en (enigszins) mais

halching

opspoelen van draadeinde

hal

voorzaal, hall, portaal, vestibule, zaal