groezig
dof, vaal, vuilgrijs
dof, vaal, vuilgrijs
` groe – ze – lig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, onfris, goor;, ` groe – ze – lig – heid, de -woord (vrouwelijk)
frank, gemeen, lomp, onbehouwen, onbeleefd, onbeschaafd, onbeschoft, onfatsoenlijk, rauw, ruig, ruw, vrank, vulgair, plomp, zwaar, zwaargebouwd, ongekuist, ongedifferentieerd, ruwweg
grof, zeer stevig weefsel van hennepgaren..
afvalstoffen van groter formaat
door malen verkregen poedervormige massa van zetmeelhoudende plantaardige organen
afvalstoffen van groter formaat
haar van gewone geiten, van paarden, runderen, honden, otters en apen
niet-gedomesticeerde zoogdieren van de familie der hoefdieren
afvalstoffen van groter formaat