gezegend
gelukkig, zegenrijk
gelukkig, zegenrijk
ge` zeg – lijk – heid, de -woord (vrouwelijk), gehoorzaamheid
gedwee, gehoorzaam, handelbaar, meegaand, volgzaam
ge` zeik, het -woord, plat gezeur, gezanik
behagelijk, knusjes, welbehaaglijk, behaaglijk, huiselijk, intiem, kneuterig, knus, geanimeerd, plezant, plezierig, aangenaam, gemoedelijk, genoeglijk, prettig, onderhoudend, sociabel, fideel, gemakkelijk, hartelijk, spraakzaam
maat, makker, metgezel, fellow, compagnon, knecht
ge` zel – lig – heid, de -woord (vrouwelijk), de genoeglijkheid die wordt ervaren in een kleine, vertrouwde sociale groep als in de huiselijke kring of onder goede vrienden
schoothond
ge` zel – schap, het -woord, gezelschappen, aantal bij elkaar vertoevende personen, kring: in goed, kwaad gezelschap
ziekelijke angst voor een mensenmenigte