gerucht
ge` rucht, het -woord,
ge` rucht, het -woord,
ieder ongewenst signaal binnen de gebruikte frequentieband
opzienbarend
luid presystolisch geruis aan de apex bij aorta-insufficiëntie, welke niet gecompliceerd is door mitraalstenose
zwak diastolisch geruis in de linker derde intercostale ruimte aan de rand van het sternum bij pulmonale insufficiëntie
Grammaticale aanduiding voor de verbogen vormen van het infinitief van het werkwoord.
ge` rust, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, rustig; zonder nadeel of gevaar: dat kun je gerust proberen ;, ik ben er niet zo gerust op, ik vrees dat het niet goed gaat;, iem. gerust laten, Zuid-Nederlands iem. met rust laten, iem. niet lastig vallen
blijk van overheidsactiviteit
blijk van overheidsactiviteit
gezanik, gezeur