Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

gebruiken

benuttigen, utiliseren, aanwenden, benutten, hanteren, toepassen, bezigen, besteden, verbruiken, eten, nemen, nuttigen, verorberen, inschakelen, verzilveren

gebruiker

ge` brui – ker, de -woord (mannelijk), gebruikers,

gebruiker met privileges

gebruiker (programma, taak, terminal-operateur, enz.)met een hogere prioriteit dan (een) ander (e) gebruiker (s)

gebruiker-klant-servermodel

kader dat de functionaliteit van één applicatie, verdeeld tussen de klant (het gebruikergerelateerde gedeelte),de server (het deel dat de functionaliteit van de server-definitie levert) en de gebruiker (programmatuur),omschrijft

gebruiker-systeem-interactie

aaneenschakeling van uitwisselingen van informatie tussen gebruiker en systeem om een bepaald doel te bereiken

gebruikers-eindstation

apparaat, gewoonlijk voorzien van een toetsenbord en van een mogelijkheid om de gecommuniceerde informatie af te lezen waarmee via een communicatiekanaal berichten kunnen worden verzonden en ontvangen

gebruikers

eindgebruikers, met inbegrip van consumenten (b.v. eindgebruikers thuis) en dienstenaanbieders, met inbegrip van telecommunicatieorganisaties die diensten aanbieden die door anderen worden of kunnen worden verleend

gebruikersbehoeften

voorwaarden die nodig zijn om de gebruiker in staat te stellen zijn taken op een efficiënte manier te volbrengen

gebruikersbelasting

Betreft degenen die het onroerend goed al dan niet krachtens een zakelijk (bijv. eigendom, erfpacht of vruchtegebruik) of een persoonlijk recht (bijv. huur) feitelijk gebruiken ‘Elseviers Belasting-Almanak 1978, p.261’.