gebruiken
benuttigen, utiliseren, aanwenden, benutten, hanteren, toepassen, bezigen, besteden, verbruiken, eten, nemen, nuttigen, verorberen, inschakelen, verzilveren
benuttigen, utiliseren, aanwenden, benutten, hanteren, toepassen, bezigen, besteden, verbruiken, eten, nemen, nuttigen, verorberen, inschakelen, verzilveren
ge` brui – ker, de -woord (mannelijk), gebruikers,
gebruiker (programma, taak, terminal-operateur, enz.)met een hogere prioriteit dan (een) ander (e) gebruiker (s)
kader dat de functionaliteit van één applicatie, verdeeld tussen de klant (het gebruikergerelateerde gedeelte),de server (het deel dat de functionaliteit van de server-definitie levert) en de gebruiker (programmatuur),omschrijft
applicatie-gebonden functie die de bind-en ontbindbewerkingen van de RO-notatie op ACSE`s afbeeldt
aaneenschakeling van uitwisselingen van informatie tussen gebruiker en systeem om een bepaald doel te bereiken
apparaat, gewoonlijk voorzien van een toetsenbord en van een mogelijkheid om de gecommuniceerde informatie af te lezen waarmee via een communicatiekanaal berichten kunnen worden verzonden en ontvangen
eindgebruikers, met inbegrip van consumenten (b.v. eindgebruikers thuis) en dienstenaanbieders, met inbegrip van telecommunicatieorganisaties die diensten aanbieden die door anderen worden of kunnen worden verleend
voorwaarden die nodig zijn om de gebruiker in staat te stellen zijn taken op een efficiënte manier te volbrengen
Betreft degenen die het onroerend goed al dan niet krachtens een zakelijk (bijv. eigendom, erfpacht of vruchtegebruik) of een persoonlijk recht (bijv. huur) feitelijk gebruiken ‘Elseviers Belasting-Almanak 1978, p.261’.