inherent
in – he` rent, («Latijn), bijvoeglijk naamwoord, van nature verbonden met, aanklevend, aanhangend: hoofdpijn en koorts zijn inherent aan griep
in – he` rent, («Latijn), bijvoeglijk naamwoord, van nature verbonden met, aanklevend, aanhangend: hoofdpijn en koorts zijn inherent aan griep
gedeelte dat in de grond is geheid
in` heems, bijvoeglijk naamwoord, van het land of het gebied zelf
` in – ham, de -woord (mannelijk), inhammen, binnenwaarts inspringend gedeelte, vooral van een zee, rivier enz.
betekenen, inhouden
hebberig, schraapachtig, schraapzuchtig, hebzuchtig, schraperig
in – ha` le – ren, («Latijn) (inhaleerde, h. geïnhaleerd), diep inademen; (geneeskrachtige dampen) insnuiven; de rook van tabak enz. inademen
toestel voor het toedienen van geneesmiddelen in dampvorm of in verstoven toestand door de ademhalingswegen
` in – ha – len, (haalde in, h. ingehaald),
toestel voor het toedienen van geneesmiddelen in dampvorm of in verstoven toestand door de ademhalingswegen