inwoon
inwoning
inwoning
frotteren, insmeren, wassen, wrijven, inpeperen
inwoon, huisvesting
inwonende knechten en meiden
` in – wis – se – len, (wisselde in, h. ingewisseld), wisselen, omruilen voor iets anders: vreemd geld inwisselen ;, ` in – wis – se – ling, de -woord (vrouwelijk)
` in – wil – li – gen, (willigde in, h. ingewilligd), toestaan;, ` in – wil – li – ging, de -woord (vrouwelijk)
inhalen, uitsparen, aanvragen, vragen
doek van Engels leer, fijn laken of vilt, op de cylinder gespannen, ten einde een gelijkmatige druk te krijgen
inhullen, inrollen, inpakken, moffelen, omhullen, wikkelen, betrekken, impliceren, verwikkelen
immigratie