kappen
` kap – pen, (kapte,
` kap – pen, (kapte,
` kap – pa, («Grieks), de -woord (mannelijk), kappa`s, de tiende letter van het Griekse alfabet, als hoofdletter K , als kleine letter k
condoom, kapoot, kapothoedje, regenjasje
ka` pot – ma – ken, (maakte kapot, h. kapotgemaakt), stukmaken
stukgaan, doodgaan
ka` pot, («Frans), bijvoeglijk naamwoord, stuk, gebroken; totaal afgemat;, kapot zitten, zeer vermoeid zijn;, plat dood;, kapot zijn van (iets of iem.), ervan onder de indruk zijn; er verrukt van zijn
cape, poncho, kap, condoom, kapotje, motorkap
soort uit de familie der vinken en gorzen van de orde der zangvogels van de klasse der vogels
handelsbenaming van het zaadpluis van de kapok- of randoebomen
kapoerewiet, kapot, verloren, weg