kennis
` ken – nis, I, de -woord, kennissen, bekende: een goede kennis, een oude kennis ;, II, de -woord (vrouwelijk), geen meervoud,
` ken – nis, I, de -woord, kennissen, bekende: een goede kennis, een oude kennis ;, II, de -woord (vrouwelijk), geen meervoud,
epizoötie:’epidemie’ bij vee
` ken – nen, (kende, h. gekend),
opzegging van de arbeidsovereenkomst zonder reden of wegens een valse reden of bij te grote discrepantie tussen het belang van de werkgever en het belang van de werknemer…
` ken – ne – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
getal dat de waarde aangeeft van het uitgangssignaal van het op het voertuig aangebrachte onderdeel voor de aansluiting op het controleapparaat (in sommige gevallen aftakas van de versnellingsbak, soms ook wiel van het voertuig),wanneer het voertuig de afstand van één kilometer aflegt, gemeten onder normale beproevingsomstandigheden (zie hoofdstuk VI, punt 4,van deze bijlage).De kenmerkende coëfficiënt … Lees verder
` ken – nel, (Engels«Oud-Frans), de -woord (mannelijk), kennels, hondenstal; hondenfokkerij; , fokkerij van andere kleine dieren
` ken – mer – kend ,, ken` mer – kend, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, tekenend, onderscheidend
Bestand, dat een opsomming van alle nummers van documenten bevat, die worden gerangschikt volgens de nummers van de daarbij behorende descriptoren. Dit bestand is het omgekeerde van het thesaurus-bestand, dat naar de descriptoren verwijst
` ken – mer – ken, (kenmerkte, h. gekenmerkt), van een kenmerk voorzien; onderscheiden, naar de onderscheidende eigenschappen beschrijven;, zich kenmerken, zich onderscheiden (door een eigenschap of eigenaardigheid)