keten
` ke – ten, («Latijn), de -woord, ketens, ketenen, ketting; boei; band; aaneensluitende reeks, 2, ` ke – ten, (keette, h. gekeet),
` ke – ten, («Latijn), de -woord, ketens, ketenen, ketting; boei; band; aaneensluitende reeks, 2, ` ke – ten, (keette, h. gekeet),
soort bedrijfskolom uit de agrarische sfeer
spoorwegtankwagen
pauk
goed hechtende afzetting, gevormd op oppervlakken door water dat oververzadigd is geworden ten opzichte van een of meer opgeloste stoffen, of is gedestabiliseerd door verlies van bijv. koolstofdioxide bij koken
ruimte waarin een met brandstof gestookte inrichting voor het opwekken van stoom of het verwarmen van thermische olie is opgesteld
ruimte waarin een met brandstof gestookte inrichting voor het opwekken van stoom of het verwarmen van thermische olie is opgesteld
overall
knoeiwerk, prulwerk
Handwerksman die ketels herstelt.