klank
de -woord (mannelijk), klanken,
de -woord (mannelijk), klanken,
metalen haak of gebogen plaatje om metalen platen vast te houden of op te hangen, o.a.bij een dakbedekking
klan` di – zie, («Oud-Frans), de -woord (vrouwelijk), het geregeld bij iem. kopen; de klanten
Bodem van schip waarvan de gangen met klampen aan elkaar zijn gehecht.Geklampte bodem van schip.
wouw
Duits voor apenstaartje.
bedgordijn, muskietennet
` klak – ke – loos, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
Bij houten schepen, een langsscheepse balk die tussen de dekbalken wordt geplaatst als versteviging van het verband van dek en dekbalken; bij stalen schepen korte langsscheepse balk die wordt aangebracht ter versterking van plaatsen waar dekbalken of spanten gedeeltelijk worden afgebroken, bv. waar de kluizen worden doorgelaten
flap, klodder, klonter, kwak, klik, flap, klap, slag, chapeau-claque, klakhoed, pet