kleinheid
` klein – heid, de -woord (vrouwelijk), nietigheid; onbeduidendheid; het klein (I, bet 3) zijn
` klein – heid, de -woord (vrouwelijk), nietigheid; onbeduidendheid; het klein (I, bet 3) zijn
bang, laf
handelaar die aan consumenten verkoopt
bekrompen, benepen, kleinzielig, min
visserij met schepen met een kleine tonnenmaat waarbij de schipper meestal tevens reder van het ship is
klei` ne – ren, (kleineerde, h. gekleineerd), als gering voorstellen, te laag aanslaan in waarde;, klei` ne – ring, de -woord (vrouwelijk), kleineringen
soort uit de orde der zeeroofdieren van de klasse der zoogdieren
klein model vleugelpiano
visserij met schepen met een kleine tonnenmaat waarbij de schipper meestal tevens reder van het ship is
kring die de pupil omgeeft