knutselen
` knut – se – len, (knutselde, h. geknutseld), kleine voorwerpen zelf maken; zelf kleine herstellingen e.d. verrichten
` knut – se – len, (knutselde, h. geknutseld), kleine voorwerpen zelf maken; zelf kleine herstellingen e.d. verrichten
knus
bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, gezellig, gemoedelijk
gezellig
sufferd
veenbrug
` knup – pel, knuppels ,, ` klup – pel, de -woord (mannelijk), kluppels,
de -woord (mannelijk), knullen, jonge vent; ongunstig lomperd, lummel, onhandige vent
` knul – lig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, onbeholpen
hand, vuist