welzijn
` wel – zijn, het -woord,
` wel – zijn, het -woord,
drijfzand
gelukkig, gelukzalig
wel` wil – lend, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, goed gezind, vriendelijk, tegemoetkomend;, wel` wil – lend – heid, de -woord (vrouwelijk)
verstandig
netjes, betamelijk, decent, fatsoenlijk, gepast, passend
` wel – ving, de -woord (vrouwelijk), welvingen, gebogen vorm, ronding
Een vlak werkstuk door drukken of door drijven in een gewelfde vorm brengen
wel` va – rend, bijvoeglijk naamwoord, gezond, voorspoedig, bemiddeld
gezondheid, voorspoed, welbevinden, welzijn