kronkel
` kron – kel, de -woord (mannelijk), kronkels,
` kron – kel, de -woord (mannelijk), kronkels,
langdurig, slepend, in tegenstelling met acuut
kro` niek, («Frans«Grieks), de -woord (vrouwelijk), kronieken,
` kro – nen, (kroonde, h. gekroond),
de benaderende waarde van de kleinste straal van de boog van de voorruit, gemeten in het meest gebogen gedeelte
Vervorming van papier, karton onder invloed van vochtigheid- of temparatuurveranderingen.
bisschopsstaf
krompasser: passer met kromme benen, om de dikte van voorwerpen te meten
Passer met kromme benen.
de hoek tussen de verticaal in het waarnemingspunt en in het bijbehorende geoïdepunt