kuisvrouw
schoonmaakster, werkster
schoonmaakster, werkster
` kuis – heid, de -woord (vrouwelijk), reinheid van zeden
` kui – sen, (kuiste, h. gekuist),
Het gekromde deel van een geslingerde of Engelse trap
bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, rein van zeden, 2, kuis, de -woord (mannelijk), Zuid-Nederlands,
(voorheen) rechtdradig, fijnringig eikehout, waaruit duigen gekloofd kunnen worden
gekonkel, machinatie, intrige
Iemand die vaten of tonnen maakt.
onoplosbare kleurstof die pas in de textielvezel wordt gevormd, nadat deze met een kleurloze, oplosbare leukoverbinding ervan is behandeld
voertuig voor zwaar vervoer