lading
` la – ding, de -woord (vrouwelijk), ladingen,
` la – ding, de -woord (vrouwelijk), ladingen,
brengen van programma`s uit het programmageheugen in het werkgeheugen;meer algemeen:brengen van gegevens in het interne geheugen of in werkregisters
lading doelmatig stuwen
` la – den, (laadde, h. geladen),
bedrieger, oplichter
` lad – der – zat, bijvoeglijk naamwoord, stomdronken
Venstertype, veel toegepast in de Amsterdamse School architectuur, waarbij de roedenverdeling doet denken aan de sporten van een ladder.
eigenschap van diagonaal-kettingtricot
één van de twee buitenste netten van een schakel
binnen-of boezemnet van een tongnet, zijnde een rechthoekig drijvend of staand net, tot ca.1880 voor de Belgische kust gebruikt voor het vangen van tong