wiens
betrekkelijk voornaamwoord, van wie (mannelijk)
betrekkelijk voornaamwoord, van wie (mannelijk)
fietsster
fietser
fietsen
maximale druk waarmee een voertuig per wiel mag worden belast
draaiing, draaikolk
` wie – len, (wielde, h. gewield), draaien, zich in het rond bewegen
Houtbewerker die wielen maakt.
wielband
Tandwiel met pijlvormige vertanding zonder groefscheiding tussen de tanden met linkse spoed en die met rechtse spoed