zaaigraan
korenzaad, zaaikoren
korenzaad, zaaikoren
zaaizaden
` zaai – en, (zaaide, h. gezaaid),
Grote vis met afgeplatte kop en een tot zaag verlengde snuit.
Draad met trapeziumvormig profiel waarvan een der flanken loodrecht staat op de as
Tekortkoming: Bijzonder op het beeldscherm afkomstig van een grove resolutie, van te grote afmetingen van pixels.
Individuele tand van een cirkelzaagblad met ingezette tanden, met groef, lip en pen bevestigd aan de rug
` zaag – sel, het -woord, zaagmeel, bij zagen ontstaan poedervormig afval van hout;, zaagsel in zijn kop hebben, figuurlijk heel dom zijn
mot, zaagsel
zagend geluid bij hartklepgebreken