passief
pas` sief ,, ` pas – sief ( «Frans«Latijn), I, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
pas` sief ,, ` pas – sief ( «Frans«Latijn), I, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,
familie uit de klasse der tweezaadlobbigen van het plantenrijk
` pas – sie, («Latijn), de -woord (vrouwelijk), passies,
familie uit de klasse der tweezaadlobbigen van het plantenrijk
Pijp die gebruikt wordt voor een tussenverbinding om vloeistof-of gasstroming te regelen.
pas` se – ren, («Frans«Latijn) (passeerde,
loper, pasraam
` pas – send, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, geschikt, behoorlijk;, passende arbeid, soort arbeid die aansluit bij de mogelijkheden en de opleiding van een werkzoekende
instrument, in de vorm van een zakhorloge, om bij benadering te voet afgelegde afstanden te bepalen
betamen, horen, conveniëren, schikken, voegen, weigeren, aansluiten, kloppen, rijmen, overspelen