zakken
` zak – ken, (zakte, h. gezakt), in zakken doen: graan zakken, 2, ` zak – ken, (zakte, is gezakt),
` zak – ken, (zakte, h. gezakt), in zakken doen: graan zakken, 2, ` zak – ken, (zakte, is gezakt),
hemdjurk
follikel, sluif, builtje
` zak – geld, het -woord, geld voor kleine dagelijkse uitgaven
Klein flesje voor in de zak.
handelswereld
zakenrelatie
Iemand die op zakenreis is.
` za – ken – man, de -woord (mannelijk), zakenlieden, zakenlui, zakenmensen, handelsman
gegevens, waarvan bekendmaking door de onderneming als schadelijk voor haar wordt beschouwd