Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

zaterdag

` za – ter – dag, de -woord (mannelijk), zaterdagen, dag van de week

zate

hoeve, landgoed

zat

bijvoeglijk naamwoord en bijwoord,

zappen

Met de afstandsbediening over en weer schakelen van het ene kanaal op het andere, op zoek naar een leuk TV fragment.

zap

Het wissen van een gedeelte van een programma, over het algemeen in machinetaal, en eventueel dit gedeelte vervangen door andere opdrachten

zanzara

vormt met de vliegen de insectenorde van de tweevleugeligen

zanikpot

zanik, zeikerd, zeur, zeurkous, zeurpiet

zaniken

emmeren, meieren, melken, zagen, zemelen, kutkammen, leuteren, malen, mekkeren, zeiken, zeuren, zeveren, ziegezagen

zanik

` za – nik, de -woord, zaniken, zeurkous