pietluttig
piet` lut – tig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zeer op kleinigheden lettend, kleinzielig;, piet` lut – tig – heid, de -woord (vrouwelijk), pietluttigheden
piet` lut – tig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zeer op kleinigheden lettend, kleinzielig;, piet` lut – tig – heid, de -woord (vrouwelijk), pietluttigheden
euro, piek
klein, min, peuterig, pietepeuterig
minuscuul, peuterachtig, pietluttig
hoge ome, kopstuk, piemel, pik, plasser, penis, kanarie, hoofdluis
vroomheid
pinkelen, plassen, urineren, wateren, zeiken, pissen
(Fr., verkleinwoord v. Pierre), personage afgeleid van Pedrolino uit de commedia dell`arte (tweede helft 16de eeuw), aanvankelijk het type van de knecht (valet ), maar gevoeliger en eleganter
fuiven, stappen, uitgaan
` pie – ren, (pierde, h. gepierd), beetnemen, foppen